Leesrooster voor de voorbereidingsweek voor het Heilig Avondmaal van 13 juni 2021

Inleiding

In deze week van voorbereiding staan we stil bij een aantal vrouwen uit de Bijbel. Ondanks het feit dat ze vaak wat op de achtergrond lijken op te treden, geven ze toch vaak blijk van een zuiver geloof en vast vertrouwen in de Heere hun God en blijken zij vaak een belangrijke schakel in het heilsplan van de Heere te zijn.

Zondag 6 juni; 9:30u voorbereiding Heilig Avondmaal in de kerk

Lezen Gen. 2: 4 – 25
Het plaatje leek bijna compleet te zijn in Genesis 2. Toch ontbreekt er nog iemand. De Heere zag dat het niet goed
was dat de mens, dat Adam alleen zou zijn. Adam ontdekte dat ook nadat hij alle dieren hun naam had gegeven. Hij
miste zijns gelijke, iemand waarmee hij dingen kon delen, die hem terzijde kon staan, zijn ‘maatje’. Gelukkig liet de
Heere Adam niet alleen en schiep hij ook Eva. Het plaatje was nu compleet en Adam en Eva genoten samen van al
het goede wat de Heere hen in het paradijs heeft gegeven. Wat een rijke zegen als je zo samen mag leven of hebt
mogen leven in de trouwe zorg van onze Hemelse Vader.

Maandag 7 juni; 19:00u Censura Morum in de kerkenraadskamer

Lezen: 1 Koningen 17: 7-24
“Het woord van de Heere in uw mond is waarheid”, met deze woorden sluiten de verzen die we lezen. Het is een
belijdenis van een weduwe uit Zarfath (in Sidon, dus niet in Israël!) die in een vrij korte tijd een aantal heftige
dingen meemaakt. We hebben het gelezen; eerst heeft zij alleen nog maar het vooruitzicht te sterven want er is
geen eten meer, dan volgt een ontmoeting met een Israëliet die blijkens zijn kleed een ‘man Gods’ oftewel een
profeet was. Doordat zij gelooft dat Israëls God wonderen kan doen, doet zij wat Elia haar zegt over het maken van
eten voor hem en overleven zij gedrieën de heersende hongersnood. Elia blijft vele dagen bij hen. Hoeveel zal er
tussen hen gesproken zijn? Over dit wonder, maar ook over de God van Israël die zij blijkbaar al kende, want zij zei
bij hun eerste ontmoeting: zo waar de Heere, uw God leeft! (vers 12). Ongetwijfeld zal haar geloof door het
samenzijn gegroeid zijn. Maar dan komt de beproeving, haar zoon sterft! Zij legt haar klacht bij Elia neer; Hoe heb ik
het nu met u, man Gods (vers 18). Een noodkreet, ze weet niet meer hoe ze het heeft. Toch geeft zij in een zeker
vertrouwen haar zoon over aan Elia als hij daarom vraagt. Wat er gebeurt in het bovenvertrek weet zij niet, alleen
dat zij haar zoon weer gezond terugkrijgt. En dan kan ze het uiteindelijk toch weer belijden: “Het woord van de
Heere in uw mond is waarheid”.

Dinsdag 8 juni

Lezen 1 Sam: 14 – 33
Een oud spreekwoord zegt: “Als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan”. Dit kan sowieso van Nabal gezegd
worden. Tijdens het schaapsscheerdersfeest heeft hij op niet mis te verstane wijze de gezanten van David de les
gelezen. Maar ook de wijsheid en het heldere inzicht van David lijken in diezelfde kan te zijn verdwenen door die
actie van Nabal en een enorme slachting lijkt onafwendbaar. Maar gelukkig behoudt Abigaïl het overzicht en de
kalmte en weet zij een ware ramp voor David en Nabal te voorkomen. Daarbij geeft zij ook blijk van een helder
inzicht in Gods Heilsplan. Een inzicht waar je best jaloers op mag zijn.

Woensdag 9 juni

Lezen: Mattheus 15: 21-28
Een korte maar indrukwekkende ontmoeting word hier beschreven; wederom is onze Heiland met zijn discipelen in
een gebied wat voor de Joden heidens is: de door de Feniciërs bewoonde kuststrook langs de Middellandse Zee
met de beide steden Tyrus en Sidon. En tijdens de reis door dat gebied wordt Hij aangesproken, of we zouden bijna
denken achtervolgd, door een Kananese vrouw. Lees maar wat er staat: zij riep naar Hem (vers 22) en;…..roept ons
na (vers 23). Zij was dus van oorsprong een bewoonster van het land Kanaän, een nakomelinge van de
bevolkingsgroepen die de Israëlieten bij hun intocht moesten verdrijven. Nu woonde ze als vreemde tussen de
Feniciërs. Toch was ook hier doorgedrongen dat er een bijzonder Mens door Israël trok, een profeet. Of toch niet?
Heere, Zoon van David roept zij Hem aan. Dat getuigt van meer dan een profeet. Zij roept Hem aan. Voelde zij zich
te bezwaard om hem direct aan te spreken, dromden zijn discipelen zo dicht om Hem heen dat dat niet kon? Wij
weten het niet. Feit is wel dat zij zich niet af laat schepen. Ook niet als zij van Hem een afwijzend antwoord krijgt.
Ze houd vast en heeft haar weerwoord klaar. Ze heeft een groot geloof, Jezus weet dat en stelt haar op de proef. En
haar smeekbede wordt verhoord. Weer een vrouw, uit de heidenen, met een groot geloof, ongetwijfeld een
voorbeeld voor haar gezin, zeker is dat zij in ieder geval een vrouw was die voor haar kind(eren) wilde strijden en al
haar hoop vestigde, op Hem!

Donderdag 10 juni

Lezen: Jozua 2:1-15 & Jozua 6:20-25
Zij (de verkenners) gingen en kwamen – Jozua stuurt, God bestuurt – in het huis van een vrouw, een hoer, van wie
de naam Rachab was (Jozua 2:1). De verkenners waren in Jericho nergens veilig, behalve in het huis van de vrouw
Rachab. Later zou juist Rachab, en mét haar heel haar familie, nergens in Jericho veilig zijn, behalve in dat bewuste
huis. In vers 9 zegt Rachab: “Ik weet…”, terwijl ze in vers 10 uitspreekt: “Want wij hebben gehoord…” – velen horen,
slechts een enkeling luistert. Rachab heeft ontzag voor de Heere van Israël en in dit ontzag biedt zij de verkenners
een schuilplaats. Deze schuilplaats mag Rachab later ook zélf vinden bij (het volk van) God, want: Zij heeft tot op
deze dag in het midden van Israël gewoond, omdat zij de boden verborgen had die Jozua gestuurd had om Jericho
te verkennen (Jozua 6:25).

Vrijdag 11 juni

Lezen: Ruth 1:6-19a
Vers 6 begint met het woord ‘toen’ – er was veel gebeurd, er was veel verloren gegaan. Naomi was de enige die het
kon navertellen. In vers 18 klinkt opnieuw: ‘toen’ – de wonderlijke weg die de Heere met ons gaat, is een
voortgaande weg aan Zijn hand. Waar je op een bepaald moment in je leven zelf een punt verwacht, een einde, zet
God ons aan het begin van een nieuwe zin: een levenszin. De werkelijke hongersnood (vergelijk vers 1) is het
ontbrekende verlangen naar het brood van Gods woord. Zo gingen zij (Naomi en Ruth) samen verder, tot zij in
Bethlehem kwamen (vers 19a). Betlehem, het broodhuis, de plaats waar ons het levende brood Gods werd
geschonken. Laten we daar bij stilstaan als we – zo God het ons wil geven – zondag het brood aangereikt krijgen.
Jezus zegt: “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in
eeuwigheid” (Johannes 6:51a). Dan mogen we tijdens een stil moment hieraan denken én danken: “Doe dat tot
Mijn gedachtenis”, zegt Jezus (Lukas 22:19). (Tijdens het avondgebed hopen we in het bijzonder stilstaan bij Ruth
1:16b: “Uw volk is mijn volk en uw God mijn God.”).

Zaterdag 12 juni

Lezen Lukas 7:36 – 50
De Heere is uitgenodigd voor een maaltijd bij Simon. Maar van een gastvrije maaltijd is eigenlijk geen sprake. Alle
joodse gebruiken voorafgaande aan de maaltijd zijn overgeslagen en er hangt een zekere spanning rond de tafel.
Dan verschijnt daar ineens een vrouw die in tranen uitbarst en daarmee de voeten van de Heiland wast. Alle
welkomst beleefdheden die Simon achterwege heeft gelaten worden door deze vrouw tot in het extreme aan de
Heiland gedaan. Waar Simon, en misschien ook andere aanwezigen, hun verontwaardiging nog maar nauwelijks
kunnen verbergen, geeft de Heere openlijk blijk van waardering voor haar daad. Hij beseft als geen ander hoe vast
deze vrouw heeft gezeten in haar zondige en duistere bestaan. Maar ze mag zich door Hem verlost weten van al die
narigheid en weten dat Hij haar het goede, het eeuwig leven kan inleiden. Zalig ben je als je vandaag voor het eerst
of opnieuw hebt mogen ontdekken dat de Heere ook jou wil verlossen van alles wat er niet goed is in jouw leven.

Zondag 13 juni; 9:30u viering Heilig Avondmaal; 18:30u voortzetting en dankzegging Heilig Avondmaal

Lezen: Johannes 4: 1-30
In dit gedeelte lezen we dat Jezus onderweg was met Zijn leerlingen en dat zij trekken door een gebied wat hun
volksgenoten mijden: het ‘Samaria van de heidenen’ zoals het elders in de Bijbel wordt genoemd. Hij, als reisleider,
deed dat niet omdat het korter was, of om een andere onbenullige reden. Nee, Hij moest er iemand spreken.
Terwijl Zijn discipelen naar de stad waren om voedsel te kopen had Jezus een bijzondere ontmoeting. De bijbel
verhaalt ons overigens niet over de schroom die de discipelen waarschijnlijk hadden om naar deze ‘heidense’ stad
te gaan waar ze zich absoluut niet op hun plaats voelden. Nee, de Bijbel vertelt ons juist over de bijzondere
ontmoeting: Onze Heiland ontmoet een vrouw; als we het uit de tekst goed opmaken iemand wiens verleden niet
geheel (of in het geheel niet) smetteloos was. Toch spreekt Jezus juist deze vrouw aan en gaandeweg dit gesprek,
wat een bijzondere wending aanneemt, ontmoeten we een vrouw met een scherp opmerkingsvermogen die,
hoewel ze de opmerkingen van Hem probeert te omzeilen, ook vragen met een scherp randje durft te stellen. En
zij, als heidense, verbaast ons met opmerkingen die we zelfs de joodse volksgenoten van Jezus in de Bijbel niet
horen maken. Lees maar: Ik weet dat de Messias komt (die Christus genoemd wordt): wanneer Die gekomen zal
zijn zal hij ons alles verkondigen. Zij kende de profetieën over de Messias, net als het Joodse broedervolk, en ze
durfde te hopen: ik WEET dat Hij komt. Maar ze durfde het ook uit te dragen, zelfs tegen een vreemde. En
uiteindelijk doet ze wat de discipelen met z’n twaalven niet voor elkaar krijgen of wellicht niet eens proberen: ze
brengt de mensen uit de stad bij De Bron.